Wie is schuldig aan de Surinaamse schulden?

Het civiel kapitaal van Suriname

8 januari 2021, leestijd 6 minuten

De regering-Santokhi beklaagt zich er terecht over dat de regering-Bouterse Suriname heeft opgezadeld met een enorme staatsschuld en insolvabele parastatalen. ‘The problem with socialism is that you eventually run out of other people’s money’, zei Margaret Thatcher, voormalig premier van het Verenigd Koninkrijk. Dat geldt zeker voor het loze revo-socialisme van de balorige soldaten die aan de basis stonden van de NDP. Bouterse wilde na de verkiezingen in mei 2020 de macht snel overdragen, omdat het geld op was en niet meer geleend kon worden.

Bouterse en zijn secondant Hoefdraad zijn de hoofdschuldigen in dit drama. Suriname leefde jarenlang op te grote voet door te hoge uitgaven die werden gefinancierd met leningen. Het Surinaamse geld is waardeloos geworden door monetaire financiering en misbruik van reserves. Elke Surinamer moet daar nog lang voor boeten met hoge belastingen en dure boodschappen. Maar, is het niet te gemakkelijk om alleen Bouterse en Hoefdraad de schuld te geven voor deze chaos? Welke rol speelde het Surinaamse maatschappelijke krachtenveld?

Wim Moesen, emeritus gewoon hoogleraar publieke economie aan de Katholieke Universiteit Leuven, publiceerde over het concept civiel kapitaal in relatie tot staatsschulden. Civiel kapitaal bestaat uit de gedeelde waarden die een groep helpen het ‘freeriders’ probleem te reduceren. Het is te omschrijven als het geheel van afspraken en normen om daar gezamenlijk voordeel uit te behalen. Voorbeelden zijn wet- en regelgeving, een overheidsapparaat, belastingen, cultuur, ethiek en fatsoen. Ik zal dit met een in de literatuur veel gebruikt voorbeeld illustreren.

Een dorpsgemeenschap besluit om gemeenschappelijke grond gratis te laten gebruiken als weide voor de koeien van alle boeren. De kans is groot dat de boeren te veel koeien te lang op de weide laten grazen, zodat deze snel kaal is. De oorzaak hiervan is dat de boeren hun eigen belang, goed gevoede koeien, belangrijker vinden dan het algemeen belang, goede weidegrond voor alle boeren in het dorp. Er is geen prikkel voor de boeren om het algemeen belang te dienen, maar wel om hun eigen koeien te voeden. Evenzo was er voor veel personen in Suriname geen prikkel om het algemeen belang te dienen maar wel om hun eigen portemonnee te vullen. Suriname is tijdens de regering-Bouterse kaalgegraasd.

Hoe kan samenwerking en altruïsme een gemeenschap meer opleveren dan individualisme en egoïsme? Hoe kan een goede afweging worden gewaarborgd tussen individuele belangen van deelnemers aan een samenleving en het belang van de samenleving als geheel? Moesen onderscheidt drie dimensies:

  1. Is er een legitieme regering met een democratische meerderheid die in staat is om goede beslissingen te nemen?
  2. Is er een ambtelijk apparaat dat de competenties en integriteit heeft om deze beslissingen efficiënt en effectief uit te voeren en daarmee waar voor het belastinggeld te leveren aan de burgers?
  3. Hebben de burgers normen en waarden om beslissingen van de overheid te accepteren en na te leven, ofwel is er weinig tolerantie voor fiscale, sociale of andere fraude?

Suriname is in opzet een goed functionerende parlementaire democratie, die de regering-Bouterse legitimeerde. Het gebrek aan expertise en integriteit van Bouterse en consorten leidden dikwijls tot voor Suriname foute beslissingen. De ruime bevoegdheden van de Surinaamse president en het ontzag van Surinamers voor de autoriteiten, versterkten dit negatieve effect. Het Surinaamse bureaucratische ambtelijke apparaat is veel te groot en door de zeven-even-ambtenaren en spookambtenaren, onbetaalbaar geworden. De effectiviteit van het ambtelijke apparaat is onder Bouterse sterk gedaald door aanstelling van incapabele familieleden en vrienden, en door direct ingrijpen in processen door bewindspersonen. De normen en waarden van burgers zijn in het afgelopen decennium sterk beïnvloed door corrupte en misdadige bewindspersonen. Daardoor is de tolerantie onder het volk voor fraude en corruptie hoog. Er is veel criminaliteit, een grote parallelle economie en een slechte belastingmoraal.

Moesen beschouwt de begroting en de staatsschuld als de morele blauwdruk van een land. Er is een sterke correlatie tussen het civiel kapitaal enerzijds en de begrotingstekorten en de staatsschuld anderzijds; hoe hoger het civiel kapitaal, hoe lager de begrotingstekorten en de staatsschuld. Bij het opstellen van een begroting kunnen belangen van individuen en specifieke groepen een grote rol spelen. Dat leidt enerzijds tot een ‘grabbelton’ voor uitgaven en anderzijds tot privileges, zoals verminderingen en vrijstellingen van belastingen en heffingen. Bouterse voerde onbetaalbare voorzieningen in, zoals een gratis basiszorgverzekering voor kinderen en seniore burgers, een minimumloon en een verplichte algemene pensioenregeling. Hij gaf privileges aan bevriende relaties, zoals Sardjoe voor de levering van voertuigen en de bouw van infrastructurele werken en Chotelal voor de levering van basisgoederen en de verkoop van Amerikaanse dollars.

Het civiel kapitaal van een samenleving is laag wanneer weinig personen bereid zijn om de volle prijs te betalen voor de prestaties die van de overheid worden verwacht. Men streeft naar voordelen voor zichzelf of de eigen achterban. Dit effect treedt vooral op bij een gefragmenteerde samenleving, bijvoorbeeld bij een coalitieregering, een samenleving met verschillende ideologieën, een grote etnische diversiteit, of veel sterke belangengroepen zoals vakbonden en werkgeversverenigingen. De NDP was met een groot aantal zetels in De Nationale Assemblée weliswaar een dominante partij, maar verder heeft Suriname alle kenmerken van gering civiel kapitaal door conflicterende politieke ideologieën, de etnische en religieuze verdeling en het grote aantal belangenorganisaties en vakbonden die te veel invloed opeisen op ondernemingen, de overheid en het maatschappelijk leven.

Hogere uitgaven en lagere inkomsten leiden tot een ‘deficit bias’, de neiging tot een overheidstekort dat gefinancierd moet worden en dus een oplopende staatsschuld. De hoge staatsschuld is daarmee het resultaat van budgettaire gemakzucht. De zekerheid voor geldgevers is dat een land niet failliet gaat omdat de mogelijkheid blijft bestaan om belasting te heffen. Zo kon Suriname vrij eenvoudig grote obligatieleningen plaatsen zonder de capaciteit om deze af te lossen. Toch moeten geldgevers soms een deel van de schuld van een land kwijtschelden omdat de lasten ondragelijk worden. Dat de overheid haar verplichtingen blijft nakomen is bovendien niet geloofwaardig wanneer politici corrupt zijn, het overheidsapparaat niet goed functioneert, er sprake is van cliëntelisme, familie en vrienden worden bevoordeeld en de bevolking teleurgesteld en ontevreden is. Suriname onder Bouterse ten voeten uit.

Wanneer een overheid een begrotingstekort heeft en niet langer kan lenen op de kapitaalmarkt, dan resteren twee oplossingen: extra belastingen of monetaire financiering. Voor extra belastingen is civiel kapitaal nodig; de geschiktheid van het overheidsapparaat om deze te innen en de bereidheid van de burger om de portemonnee te trekken. Wanneer geen sprake is van voldoende civiel kapitaal, leiden deze onpopulaire maatregelen tot boze burgers en protesten op straat. Een overheid die hiervoor gevoelig is neemt een makkelijke vluchtroute, de monetaire financiering. Dat gebeurde in Suriname. Hiervoor betaalt de burger later een hoge prijs door inflatie, devaluatie, duurdere boodschappen en waardeverlies van spaar- en pensioentegoeden.

De oorzaak van een hoge staatsschuld is dikwijls het loslaten van de gouden financieringsregel dat alleen publieke investeringen gefinancierd mogen worden met leningen. Van lenen voor publieke investeringen wordt een land niet armer. Tegenover de schuld creëert de overheid immers waardevolle bezittingen in de vorm van infrastructuur die lang ten dienste staat van economisch ontwikkeling. Lopende uitgaven, zoals ambtenarensalarissen, mogen nooit met leningen worden gefinancierd, maar dat deed de regering-Bouterse structureel. Een uitzondering hierop wordt gevormd door calamiteiten, zoals natuurrampen of de coronapandemie. De overheid kan zich genoodzaakt zien om hiervoor grote uitgaven te doen die worden gefinancierd met leningen op de kapitaalmarkt.

Het gebrek aan civiel kapitaal in de Surinaamse samenleving is een belangrijke oorzaak van de financiële chaos, waaronder de hoge staatsschuld. De regering-Bouterse heeft daarop ingespeeld. De burger die kort voor de verkiezingen een beschikking kreeg om zijn stem te winnen, rammelde later aan de poort van het ministerie van Openbare Werken terwijl hij heel goed wist dat er geen werk voor hem was. Het ambtelijk apparaat had onder Bouterse niet langer de benodigde competenties en integriteit om het werk efficiënt en effectief uit te voeren. Burgers hadden niet langer de normen en waarden om beslissingen van de overheid te accepteren en na te leven. Het ontbreekt Suriname aan voldoende civiel kapitaal, als gevolg van de jarenlange desastreuze invloed van Bouterse en consorten.

Gepubliceerd in De West